Dieren en natuur op het park
EuroParcs Hoge Kempen ligt in een bosrijke omgeving, waardoor u verschillende dieren kun tegenkomen op het vakantiepark. De dieren gaan gewoon rustig hun gang en storen zich vaak niet aan de mensen op het park.
De voornaamste dieren die u zult tegenkomen zijn vogels en af en toe zult u een eekhoorn of een hert tegenkomen. Laat de dieren rustig hun gang gaan, dan zullen ze regelmatig terugkomen.
In de kast van de slaapkamer met het stapelbed staat een box met voedsel voor eekhoorns en vogels welke gebruikt kunnen worden om de dieren van wat voedsel te voorzien in de herfst en wintermaanden. U kunt dit voedsel gebruiken door het in de voedselpaal in de tuin te plaatsen.
Mocht het voedsel op zijn en u wilt toch van de dieren in de tuin en op de voedselpaal genieten dan kunt u voedsel halen bij het tuincentrum in de Daalstraat in Zutendaal.

Eekhoorn
(wetenschappelijke naam Sciurus vulgaris)
is een behendig knaagdier dat bekend staat om zijn grote pluimstaart en snelle klimkunsten.
Uiterlijk en kenmerken
- Pluimstaart: De staart helpt bij het evenwicht tijdens het springen en dient als balans én als deken tijdens het slapen.
- Kop: Ze hebben grote donkere ogen, kleine snuitjes en vaak kenmerkende kwastjes op hun oren, vooral in de winter.
- Formaat: Een volwassen eekhoorn is ongeveer 24 centimeter lang, zonder de staart mee te rekenen.
Leefgebied en gedrag
- Woonplaats: Je vindt de eekhoorn in loof- en naaldbossen, maar ook steeds vaker in stadsparken en groene tuinen.
- Nesten: Ze bouwen ronde bolvormige nesten van takjes en mos, 'elzen' of 'akonken' genoemd, hoog in de bomen.
- Actief: Ze zijn overdag actief, met de piekuren in de vroege ochtend en late middag
Wat eten ze?
- Voedsel: Hun dieet bestaat uit eikels, beukennootjes, zaden, dennenappels, bessen en paddenstoelen. Soms eten ze ook insecten of vogeleieren.
- Voorraad: In de herfst verstoppen ze noten in de grond of tussen boomschors als wintervoorraad. Ze vergeten een deel hiervan, waardoor er onbedoeld nieuwe bomen groeien.

Koolmees
(wetenschappelijke naam Parus major)
is een van de meest bekende en voorkomende zangvogels in Nederland en België. Je herkent deze actieve vogel direct aan zijn opvallende kleuren en luide zang.
Uiterlijk en kenmerken
- Kleurrijk verenpak: De koolmees heeft een felgele borst met een opvallende zwarte stropdas (een verticale streep over het midden). De kop is glanzend zwart met witte wangen, en de rug is groenblauw.
- Verschil man en vrouw: Het mannetje heeft een bredere, diepzwarte stropdas die helemaal doorloopt tussen de pootjes. Bij het vrouwtje is deze streep smaller en vaak onderbroken.
- Formaat: Met een lengte van ongeveer 14 centimeter is de koolmees de grootste mezensoort in de regio.
Leefgebied en gedrag
- Woonplaats: Ze leven in bossen, parken en zijn zeer regelmatige gasten in de tuin.
- Nesten: Koolmezen zijn holtebroeders. Ze broeden in boomholtes, maar maken ook dankbaar en massaal gebruik van nestkasten.
- Zang: Al vroeg in het voorjaar laten ze hun herkenbare, tweetonige zang horen, die vaak klinkt als een fietspompje: "tsjie-koe, tsjie-koe".
Voedsel
- Zomer: In het broedseizoen eten ze vooral rupsen en insecten. Ze zijn daarmee een natuurlijke vijand van de eikenprocessierups.
- Winter: In de koude maanden stappen ze over op zaden, noten en bessen. Ze bezoeken dan graag de voedertafel voor pinda's en vetbollen.

Pimpelmees
(wetenschappelijke naam Cyanistes caeruleus)
is het kleinere en pientere broertje van de koolmees. Deze vogel is een echte acrobaat in de tuin.
Uiterlijk en kenmerken
- Blauw petje: Het meest opvallende kenmerk is de helderblauwe kruin, die als een petje op zijn kop zit. Ook de vleugels en de staart zijn blauw.
- Gezicht: Het gezichtje is wit met een smalle, zwarte oogstreep die doorloopt tot in de nek.
- Formaat: Met een lengte van ongeveer 12 centimeter is hij een slag kleiner en compacter dan de koolmees.
Gedrag en behendigheid
- Acrobaat: Pimpelmezen zijn lichter dan koolmezen. Hierdoor kunnen ze steboven hangen aan de dunste takjes of aan een vetbol om bij hun eten te komen.
- Nesten: Net als de koolmees is de pimpelmees een holtebroeder. Omdat ze kleiner zijn, kiezen ze vaak voor nestkasten met een kleinere invliegopening (26 tot 28 mm), zodat de grotere koolmees hun nest niet kan kaperen.
Voedsel
- Dieet: Ze eten voornamelijk insecten, spinnen en bladluizen, waarmee ze erg nuttig zijn voor de tuin.
- Voedertafel: In de winter zijn ze dol op vetbollen, pindakaas voor tuinvogels en fijne zaden.

Boomklever
(wetenschappelijke naam Sitta europaea)
is een unieke vogel die je direct herkent aan zijn gedrag: het is de enige vogel in de Benelux die met evenveel gemak met zijn kop omlaag als omhoog langs een boomstam kan lopen.
Uiterlijk en kenmerken
- Silhouet: De boomklever heeft een gedrongen lichaam, een korte staart en een opvallend lange, krachtige snavel.
- Kleuren: De rug en vleugels zijn blauwgrijs, de buik is warm oranje-bruin en hij heeft een brede, zwarte oogstreep die als een soort boevenmasker doorloopt tot in de nek.
- Formaat: Met een lengte van ongeveer 14 centimeter is hij net zo groot als een koolmees, maar hij oogt een stuk steviger.
Uniek gedrag
- Metselaar: De boomklever broedt in oude spechtenholen of nestkasten. Als de ingang te groot is, metselt hij de opening dicht met modder en speeksel totdat hij er zelf nog net doorheen past. Dit doet hij om grotere kapers (zoals de spreeuw of grotere spechten) buiten te sluiten.
- Geen steunstaart: In tegenstelling tot spechten gebruikt de boomklever zijn staart niet om tegen de boom te leunen. Hij vertrouwt volledig op zijn enorm sterke poten en scherpe klauwen om grip te houden op de schors.
Voedsel
- Zomer: In het voorjaar en de zomer zoekt hij tussen de boomschors naar insecten, spinnen en larven.
- Winter: In de herfst en winter stapt hij over op noten, eikels en zaden. Hij klemtoniseert bijvoorbeeld een hazelnoot in een schorspleet om deze vervolgens met zijn sterke snavel open te hakken (vandaar de Engelse naam Nuthatch).
- Tuin: Op de voederplank is het een felle vogel die graag hele pinda's of zonnebloempitten meeneemt om ergens anders als wintervoorraad te verstoppen.

Roodborst
(wetenschappelijke naam Erithacus rubecula)
is een van de meest geliefde en herkenbare tuinvogels. Dit vogeltje staat bekend om zijn nieuwsgierige karakter en zijn prachtige, melancholische zang, die je het hele jaar door kunt horen.
Uiterlijk en kenmerken
- Oranje borst: Zijn meest opvallende kenmerk is de fel oranje-rode borst en gezicht, die scherp afsteken tegen de witte buik en de bruine rug.
- Grote ogen: Het roodborstje heeft opvallend grote, donkere kraaloogjes. Hiermee kan hij relatief goed zien in de schemering, wanneer hij nog actief op zoek is naar voedsel.
- Formaat: Het is een compact, rond vogeltje van ongeveer 14 centimeter lang met lange, dunne pootjes.
Gedrag en territorium
- Tuinhulpje: Roodborstjes zijn enorm nieuwsgierig. Als je in de tuin aan het spitten bent, komt er vaak direct eentje vlakbij zitten. Hij wacht tot je de grond omwoelt, zodat hij gemakkelijk wormen en larven kan pakken.
- Felle verdediger: Achter dat schattige uiterlijk schuilt een extreem territoriaal karakter. Zowel mannetjes als vrouwtjes verdedigen hun eigen territorium fel tegen andere roodborstjes. Dit doen ze eerst door luid te zingen en hun rode borst te tonen, maar het kan uitlopen op hevige gevechten.
- Zang in de winter: Het is een van de weinige vogels die ook in de herfst en winter doorzingt, juist om dat winterterritorium te claimen.
Voedsel
- Dieet: Ze eten vooral insecten, spinnen, wormen en slakken.
- Op de voederplank: Roodborstjes hebben een dunne pincetsnavel en zijn geen echte zaadeters. Ze kunnen ook niet goed hangen aan een vetbol zoals mezen. Je maakt ze in de winter blij met meelwormen, ongekookte havermout, rozijnen en fijn vetvoer dat je op de grond of op een lage, open voederplank strooit.

Grote bonte specht
(wetenschappelijke naam Dendrocopos major)
is de meest voorkomende en bekendste spechtensoort in Nederland en België. Met zijn ritmische geroffel en opvallende zwart-witte verenpak is het een markante verschijning in bossen, parken en grote tuinen.
Uiterlijk en kenmerken
- Zwart-wit-rood: Hij heeft een contrastrijk zwart-wit verenkleed met een knalrode onderbuik. Op de schouders vallen de twee grote, ovale witte vlekken direct op.
- Verschil man, vrouw en jong:
- Het mannetje heeft een opvallende rode vlek op het achterhoofd.
- Het vrouwtje mist dit rood op de kop; haar achterhoofd is volledig zwart.
- Jonge spechten hebben juist een heel rood 'petje' bovenop de hele kruin.
- Formaat: Met een lengte van ongeveer 23 centimeter is hij ongeveer zo groot als een spreeuw of merel, maar hij oogt forser door zijn stevige bouw.
Uniek gedrag en anatomie
- De ultieme hakker: De specht hakt met enorme kracht in bomen om nesten te maken of insecten te zoeken. Zijn schedel werkt hierbij als een ingebouwde schokdemper om hersenletsel te voorkomen.
- Geroffel: In het vroege voorjaar communiceren spechten niet alleen met hun stem, maar vooral door heel snel achter elkaar tegen een boomstam te haken (het bekende 'geroffel'). Dit is hun manier om een territorium af te bakenen en een partner te lokken.
- Klimvoeten en steunstaart: In tegenstelling tot de boomklever gebruikt de specht zijn stijve staartpennen als een soort driepoot om tegen de boomstam te leunen. Zijn poten hebben twee tenen naar voren en twee naar achteren gericht voor een ijzersterke grip op de schors.
- Extreem lange tong: Zijn tong is zo lang dat deze om zijn schedel heen gevouwen ligt. De punt is plakkerig en heeft weerhaakjes, ideaal om diep uit boomgangen insecten en larven te vissen.
Voedsel
- Zomer: In de warmere maanden leeft hij vooral van insecten, kevers en larven die onder de boomschors zitten. Helaas rooft hij soms ook eieren of jonge vogels uit nestkastjes van bijvoorbeeld koolmezen.
- Winter: In de winter stapt hij over op zaden en noten. Hij maakt vaak een 'spechtensmidse': hij klemt een dennenappel of hazelnoot vast in een spleet van een boom om deze vervolgens gemakkelijk open te hakken.
- In de tuin: Ze bezoeken steeds vaker de voederplank. Ze zijn met name dol op pindakaas (speciaal voor tuinvogels) en vetblokken, waar ze zich met hun sterke poten gemakkelijk aan vast kunnen klampen.

Vink
(wetenschappelijke naam Fringilla coelebs)
is een van de meest talrijke en wijdverspreide zangvogels in onze regio. Het is een echte zaadeter die je zowel in dichte bossen als op de tuingrond kunt tegenkomen.
Uiterlijk en kenmerken
- Prachtig mannetje: Het mannetje is in het voorjaar een kleurrijke verschijning met een leigrijze tot blauwe kruin en nek, een roestbruine tot wijnrode borst en een groenachtige stuit.
- Onopvallend vrouwtje: Het vrouwtje is veel gecamoufleerder en heeft een overwegend olijfgroen tot grijsbruin verenpak, wat haar beschermt tijdens het broeden.
- Witte vleugelstrepen: Zowel het mannetje als het vrouwtje hebben twee opvallende witte dwarsstrepen op de vleugels. Dit is het beste kenmerk om een vrouwtjesvink te onderscheiden van bijvoorbeeld een huismus.
- Formaat: Met een lengte van ongeveer 15 centimeter is hij net zo groot als een huismus, maar hij heeft een vlotte, krachtige bouw met een stevige kegelsnavel om zaden mee te kraken.
Gedrag en de bekende "vinkenslag"
- Bodemvoeder: Vinken zoeken hun voedsel bijna altijd scharrelend op de grond. Op de voederplank zul je ze niet snel op een hangende vetbol zien; ze wachten liever op de grond tot andere vogels zaden naar beneden laten vallen.
- De Vinkenslag: De zang van het mannetje is luid, vrolijk en herkenbaar. Het is een rollend riedeltje dat steevast eindigt met een felle, dalende uithaal. Deze karakteristieke afsluiting wordt de vinkenslag genoemd.
- Groepsgedrag: In de herfst en winter trekken vinken vaak in grote groepen op, soms samen met andere vinkachtigen zoals kepen en groenlingen, op zoek naar voedselrijke akkers en bossen.
Voedsel
- Zaden en knoppen: Als typische vinkachtige eten ze buiten het broedseizoen vooral zaden, beukennootjes, granen en boomknoppen.
- Zomerse eiwitten: Tijdens het broedseizoen schakelen ze tijdelijk over op rupsen en insecten, omdat de jonge vinken de eiwitten hard nodig hebben om te groeien.
- In de tuin: Je maakt vinken erg blij door strooivoer, zonnebloempitten of fijngehakte pinda's rechtstreeks op de grond of op een lage voertafel aan te bieden.

Bosmuis
(wetenschappelijke naam Apodemus sylvaticus)
is een van de meest algemene en actieve wilde knaagdieren in onze natuur. Ondanks zijn naam leeft hij niet alleen in bossen, maar is hij ook een regelmatige en nuttige bewoner van struikgewas, houtwallen en grote, groene tuinen.
Uiterlijk en kenmerken
- Grote ogen en oren: De bosmuis valt direct op door zijn enorm grote, donkere kraaloogjes en grote, beweeglijke oren. Dit wijst op zijn nachtactieve levensstijl.
- Kleuren: De rug en flanken zijn warm geelbruin tot donkerbruin, terwijl de buikzijde scherp afsteekt met een zuiver witte tot lichtgrijze kleur. Vaak heeft hij een klein, gelig vlekje tussen de voorpoten.
- Lange staart: De staart is bijna net zo lang (of soms langer) dan zijn lichaam, dun behaard en telt veel ringen.
- Formaat: Het lichaam is zo'n 8 tot 11 centimeter lang, met een staart van nog eens 7 tot 11 centimeter. Hij is een slag groter en slanker dan de huismuis.
Gedrag en sprongkracht
- Nachtdier: Bosmuizen worden pas echt actief als de schemering invalt. Overdag slapen ze in zelfgegraven ondergrondse gangenstelsels of in holtes onder boomwortels.
- De kangoeroe van het bos: Als een bosmuis schrikt of haast heeft, rent hij niet zomaar weg, maar maakt hij grote, kangoeroe-achtige sprongen op zijn krachtige achterpoten.
- Geen winterslaap: Ze blijven de hele winter actief. Om de koude maanden door te komen, leggen ze ondergronds grote voedselvoorraden aan.
Voedsel
- Alleseter met voorkeur: Het dieet bestaat voornamelijk uit zaden, boomknopjes, noten (zoals hazelnoten en eikels), bessen en paddenstoelen.
- Eiwitten: In het voorjaar vullen ze dit aan met eiwitrijk voedsel zoals rupsen, wormen, spinnen en insecten.
- Sporen: Je kunt hun aanwezigheid vaak herkennen aan aangeknaagde hazelnoten: de bosmuis knaagt een net, rond gaatje in de schaal met duidelijke tandafdrukken op de rand.
Ecologische rol
De bosmuis is een cruciale schakel in de natuur. Net als de eekhoorn vergeet hij weleens waar hij zijn wintervoorraad zaden heeft begraven, waardoor hij helpt bij de verjonging van het bos. Daarnaast is hij een van de belangrijkste voedselbronnen voor roofvogels, uilen, vossen en marters.
